Onderzoek kinderen & jongeren
Een TwinQ verschijnt in je ogen op het moment dat je iets ziet, hoort of voelt dat je raakt, enthousiast maakt of inspireert

Typisch jongensgedrag


Kwajongensgedrag staat tegenwoordig vrijwel synoniem voor probleemgedrag.
Als mijn vader op dit moment nog een jongetje was geweest, dan waren er waarschijnlijk heel veel problemen bij hem vastgesteld. Kwajongensgedrag was namelijk zijn grootste hobby. Daar waar hij maar enigszins kon probeerde hij altijd wel iets uit te vreten. Iets wat hij overigens tot aan het eind van zijn leven heeft volgehouden. Zo vond hij het bijvoorbeeld als jongetje heerlijk om met zijn katapult de hele dag dingen te beschieten. Dit tot grote ergernis van onder andere de veldwachter, die de orde en rust in het dorp probeerde te handhaven. De veldwachter gaf de kleine Toon meerdere malen een waarschuwing en nam daarbij telkens zijn katapult in beslag, in de hoop dat hij daardoor zou luisteren. Maar blijkbaar had Toon in die tijd iets aan zijn oren waardoor hij moeilijk kon luisteren. Uiteindelijk besloot de veldwachter dan ook om hem als straf een paar uur in zijn fietsenhok op te sluiten. ‘Daarmee zal ik hem wel eens een lesje leren,’ moet de veldwachter hebben gedacht. En inderdaad, Toon leerde namelijk dat hij van de snelbinders van een fiets die in het fietshok stond een mooie katapult kon maken. En nog voordat Toon de hoek om was, nadat hij uiteindelijk was bevrijd uit het fietsenhok, waren de eerste schoten met zijn nieuwe katapult alweer gelost.

Het is een waargebeurd verhaal van een jongetje dat opgroeide in de jaren dertig en veertig. Een jongetje dat destijds typisch jongensgedrag vertoonde, maar dat tegenwoordig al snel bestempeld zou worden als een gedragsstoornis. Gedrag dat volgens mij de laatste decennia zelf niet eens zoveel is veranderd. Maar wij als maatschappij des te meer. We leven in een tijd waarin ratio en efficiëntie de scepter zwaaien en ‘meten is weten’ het credo lijkt te zijn. Een tijd waarin alles gestroomlijnd dient te verlopen en er geen ruimte lijkt te bestaan voor afwijking. Een tijd waarin het gedrag en de voortgang van kinderen nauwlettend wordt gemonitord en elke afwijking gerapporteerd.

Uit onze cijfers blijkt dan ook dat bij 27% van de jongens en bij 19% van de meisjes minimaal één label als ADHD, ADD, hyperactief, autistisch, PDD-NOS, asperger, dyslectisch, dyscalculisch, hoogbegaafd of hoogsensitief is vastgesteld. Maar het opgroeien van kind tot volwassene verloopt niet als een gestroomlijnd proces, waarbij iedereen keurig binnen de lijntjes blijft. Het gaat met horten en stoten, waarbij telkens met een beetje extra aandacht de motor van het opgroeien weer een slinger lijkt te krijgen en elke hobbel achteraf een groeistuip blijkt te zijn. Kinderen zijn geen machines waarbij afwijkingen als een probleem moeten worden behandeld, maar juist met een beetje extra liefde en aandacht.

Elk kind is anders, ieder op z’n eigen manier. Het is dan ook belangrijk om de onderlinge verschillen te erkennen en niet te negeren. Meisjes zijn meisjes en jongens zijn jongens. En jongens en meisjes zijn over het algemeen ook écht anders, ze denken anders, ze voelen anders en hebben een andere benadering nodig. Iets wat veel vrouwen toch vaak blijken te vergeten, omdat ze net als ik destijds jongens niet écht begrijpen en hen vervolgens vanuit een vrouwelijk perspectief benaderen. Jongens kunnen zich dan ook onbegrepen voelen, aangezien ze voor een groot deel van hun leven door vrouwen worden opgevoed en begeleid.

In onze cijfers is te zien dat 81% van de 5- tot 15-jarigen bij beide ouders woont, 5% gedeeltelijk bij hun vader en moeder, 9% alleen bij de moeder en slechts 0,5% woont alleen bij de vader. En hoe geëmancipeerd we tegenwoordig ook zijn, de opvoeding van onze kinderen wordt nog steeds grotendeels door moeders op zich genomen. Het onderwijs wordt eveneens gedomineerd door vrouwen. Zo is op Stamos.nl (de databank voor arbeidsmarktinformatie over onderwijssectoren) het volgende te lezen: ‘In het schooljaar 2014/2015 wordt in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en de beroeps- en volwasseneneducatie 36% van de werkgelegenheid (in fte) vervuld door mannen; daarmee is duidelijk dat het onderwijs in Nederland nog altijd een gefeminiseerde sector is.’

Ik ben van mening dat we als maatschappij wel iets meer begrip mogen tonen voor typisch jongensgedrag. Zo willen jongens niet de hele dag stilzitten en luisteren naar iemand anders. Dan gaan ze zich vervelen, dan worden ze druk en gaan ze klieren. Zij willen liever zelf experimenteren en ontdekken hoe iets in elkaar zit in plaats van dat iemand dat alleen aan hen vertelt. Ze willen hun energie kwijtraken, kunnen rennen, hutten bouwen en flink vies worden wanneer ze in een plas modder vallen of uit een boom donderen. Maar tegenwoordig zijn ze niet zo vaak meer buiten omdat er steeds minder ruimte en natuur in de omgeving is waarin ze helemaal los kunnen gaan. Dan blijven ze liever binnen en gaan ze daar wel los tijdens het spelen van een avontuurlijke game. Jongens willen ook bijvoorbeeld af en toe een potje met elkaar kunnen vechten en donderjagen, zonder dat ze gelijk alles met elkaar moeten uitpraten omdat wij vrouwen dat een veel betere manier vinden. Hoe goed we ook ons best doen, hoe goed we ons ook proberen in te leven, wij vrouwen weten niet hoe het is om een man te zijn.

Kinderen hebben geen label nodig om hen te vertellen dat ze zich anders dienen te gedragen. Ze hebben duidelijke grenzen nodig en volwassenen die ‘nee’ tegen ze zeggen. Want hoe goed ouders het momenteel ook doen en het kind steeds meer centraal stellen in de opvoeding, ouders van nu zijn veel meegaander geworden dan vroeger. Terwijl kinderen zelf stiekem aangeven grenzen nodig te hebben, hoe hysterisch of boos ze soms ook kunnen reageren. Ze zijn diep van binnen blij wanneer de grenzen consequent worden bewaakt. Dat geeft ze namelijk helderheid, duidelijkheid en structuur. Dan weten ze waar ze aan toe zijn. Net als mijn vader destijds. En hoe kwajongensachtig hij vaak ook was, hij wist altijd precies waar zijn grenzen waren, omdat daar altijd zijn ouders op hem stonden te wachten of anders de schoolmeester of de veldwachter wel. Hij wist altijd waar hij aan toe was en hoe ver hij kon gaan.

Deze blog is gebaseerd op een fragment uit mijn boek ‘Anders’ en een ode aan de eigen(wijs)heid van mijn vader

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *